Grootslagnewsonline

reisverhalen reisegeschichten

30-5-2009

Reisverhalen zomer 2005.                                   Eerste verhaal.

 

 

Koh Phi Phi herrijst na golf van verdriet door Tsunami.

 

KOH PHI PHI - De constatering dat ik een geweldige week heb gehad op Koh Phi Phi, het Thaise eiland aan de zuidwestkust waar de Tsunami op 26 december dood en verderf zaaide, gaat mank. Ik heb er fantastisch gesnorkeld in een van de mooiste zeeën van de wereld. Maar, de littekens van het natuurgeweld zijn overal te zien en vormen een afschrikwekkend decor. De belangrijkste reden voor mij om naar Phi Phi af te reizen, was om te zien of mijn vriend, door een ieder 'Mr. Hut' genoemd, nog in leven was. Hut, woont als kluizenaar op het paradijselijk strand Loh Moo Dee Beach. Daar kun je alleen komen per longtailboot of via een moeilijk begaanbaar pad over de bergen. Gevolg; er komt haast geen hond waardoor Hut (die flessen water en een colaatje verkoopt) rond moet komen van minder dan minimaal. Drie jaar geleden heb ik hem voor het laatst gezien. Op donderdag 26 mei zet ik de zware trek over de heuvels in en na een half uur zweten krijg ik zicht op Loh Moo Dee Beach. Hut ziet mij met zijn scherpe blik onmiddellijk en op slag rolt zijn sonore stem door het dal: "Hé, MAFFIA." Schuilt daar normaal een belediging in, nu klinkt het mij als muziek in de oren; Hut leeft dus nog. Hut is nu veertig jaar, zo vertelt hij mij, maar dat zei hij drie jaar geleden ook al. Ik vermoed dat hij zelf niet weet hoe oud hij is en 40 wel een mooi rond getal vindt. Hut heeft een dochtertje van 11 die in Krabi door zijn zuster wordt opgevoed. Als z'n 'salaris' het toelaat bezoekt hij haar. Omgerekend komt dat er op neer dat hij eens in het half jaar de oversteek naar Krabi kan maken. Met haar die hem ooit eens  'de broek liet bollen', is elk lijntje verbroken. Z'n enige relatie is die met de natuur; eeuwig durend. Uitgebreid vertelt Hut mij hoe hij de Tsunami heeft overleefd. Op het strandje waar hij als éénoog koning is, waren 30 mensen van wie er 5 zijn omgekomen. Hut, die door zijn Spartaanse levenswijze de 'pootjes' heeft van een rendier en het overlevingsinstinct van een woestijnrat uit een nest van 12, vluchtte met succes de bergen in op het fatale moment. Hij redde daarmee wel zijn leven, maar niet zijn bezittingen. Maar de weinige bezoekers die Loh Moo Dee Beach aandoen, adoreren Hut om zijn eenvoud. Van een stel Tsjechen kreeg hij een ijskast en van goedgeefse Spanjaarden een aggregaat Met wat drijfhout en geleende spijkers timmerde hij vervolgens aan een nieuw bestaan. Stress is hem onbekend. Last van een vastgelopen computer of een niet startende auto; NIETS van dat al!

Samen met Hut ga ik 's middags naar het dorp waar de grootste vernielingen zijn aangericht. Een kleine 2000 mensen vonden er de dood. Daarvan ongeveer 65% toeristen die het maagdelijke eiland hadden uitgekozen om Kerst te vieren. Zo'n 200 vrijwilligers -van alle leeftijden en uit vele landen- helpen de golf van ellende weg te spoelen. Nog biedt het eiland (nog kleiner dan Ameland) een verwoestende aanblik. Maar, overal zwaait reeds de verfkwast die een nieuwe laag van hoop penseelt op de door de zeebeving verbrokkelde muren.

Zaterdag 28 mei kan ik bijschrijven als een dag van culinaire hoogtepunten. Als ik tegen tien uur afdaal naar de 'zomerresidentie' van Mr. Hut begroet hij mij met een kamerbrede smile: I have Coffee." Waar hij het vandaan haalt mag Budha weten, maar uit een thermosfles uit het jaar 'kruikie' komt heet water. Trots wijst hij me op een potje Nescafé. Suiker en melk moet ik -naar smaak- er zelf bij denken. De koffie smaakt me uitstekend en gulzig neem ik drie bakkies. Als ik even later nog wat met het potje Nescafé speel, zie ik dat de houdbaarheidsdatum van voor de Tsunami is... Een 'sterk' bakkie derhalve. 's Middags is er rijst met kip. Als ik tegen de avond opmerk dat 'we' een kip missen, grijnst Hut. "Je wilde toch rijst met kip..."

Zondag word ik beloond voor mijn inspanningen om vroeg op te staan. Al om zeven uur lig ik in het water omdat tegen die tijd de Blacktip Rifhaai zich laat zien. En jawel; totaal vijf (5) stuks. Altijd weer opwindend om de woestelingen der oceanen van zo dichtbij mee te maken. Steeds denk ik bij de confrontatie met hen voor wie ik het hoofdmenu zou kunnen vormen; "Het zal toch niet hé..." Alle reisbrochures reppen er over dat ze ongevaarlijk doen. Maar ik ben wat keren gebeten door hondjes van het soort "Hij doet niets hoor..." Ik snorkel bij laag water en dat heeft voor- en nadelen. Het voordeel is dat je dicht boven het fraaie koraal en de kleurrijke vissen snorkelt. Maar, als ik me door de branding worstel en laag over het koraal scheer, bekruipt mij altijd weer het akelige gevoel dat ik met mijn 'allemandsendje' achter het koraal blijf hangen!

Steeds verleng ik mijn verblijf op Koh Phi Phi met een dag omdat ik er geen afscheid van kan nemen. Maar, ik moet terug naar Bangkok omdat ik op zaterdag 4 juni naar Nieuw Zeeland ga voor twee maanden. Dinsdag 31 mei ga ik terug via Phuket. Via AirAsia schaf ik mij een ticket aan en in anderhalf uur vlieg ik terug naar Bangkok. Lichamelijk land ik daar om 19.00 uur. Geestelijk vertoef ik minstens nog een maand op Koh Phi Phi.

 

Groeten,

 

Jouke Kooiker

Reisverhalen zomer 2005.                                   Tweede verhaal.

 

 

Koude start in New Zealand.

AUCKLAND – Geen gruwelijker aanblik dan een lege bagageband op een vliegveld! Nooit eerder op al mijn reizen heb ik dat 'mogen' meemaken, maar zondag 5 juni jl. viel me deze primeur ten deel. Dus grote backpack niet aanwezig in het vliegtuig dat me naar New Zealand bracht! Het vertrek uit Bangkok op zaterdag 4 juni verliep al hectisch. De vlucht naar Hong Kong (alwaar ik een tussenstop maakte) werd gecanceld omdat er problemen met het vliegtuig waren. Binnen een half uur overgeboekt op een toestel van Dragonair. Alles prima geregeld, zo lijkt het, en in opperste euforie daarover deel ik nog een complimentje uit aan de grondstewardess die ondanks de airco het zweet op het voorhoofd heeft staan maar bij wie de glimlach niet wijkt. In een kleine drie uur vliegen we naar Hong Kong. Ook hier weer een primeur; een doorstart. De wind is op de landingsstrip, die tussen de bergen ingeklemd ligt zo verraderlijk dat we getrakteerd worden op een extra rondje van de piloot. Na een kleine uur wachttijd vliegen we door naar New Zealand. Een vlucht van 10 uur en dertig minuten. Daar dus met steeds groter wordende ogen naar de transportband zitten staren. Zonder resultaat. Als pleister op de wonde krijg ik en nog een landgenoot die naar Christchurch moet, een vergoeding van 130 NZ Dollar. Goede raad is duur. Ik besluit in Auckland een 1-persoonskamer te boeken, omdat ik niet okselfris ben en anderen daar niet de dupe van wil laten worden (normaal slaap ik op zaal). Al mijn toiletspullen zitten in de grote backpack en aanvankelijk beschik ik over maar 1 ‘pendekkie’. Tot mijn genoegen staat er een tweepersoonsbed op de slaapkamer en meteen stel ik vast dat ik de kussensloop die ik niet gebruik, vorder als handdoek. Ik weet het, het hoort niet maar nood breekt wetten. Zeep, scheergerei en tandenborstel schaf ik noodgedwongen aan. In een flinterdun truitje –ook over mijn jas heb ik niet de beschikking- wandel ik bij zo’n 12 graden met af en toe een buitje over het ‘altijd gezellige’ Queenstreet. De hoofdstraat van Auckland. Om meerdere redenen gaat die zondag al bij mij om 7 uur p.m. het licht uit! Maandagochtend om 11.00 uur, ik lig dan nog steeds voor ‘Jaffa’ wordt er op de deur geklopt. Backpack is gelokaliseerd. Via Sydney, zo zie ik later aan het label, wordt de verlorene keurig in het qeusthouse waar ik verblijf, afgeleverd!

Goed, ik zit nu dus in New Zealand. Nooit in m’n 58-jarig bestaan ben ik zo ver van huis geweest. New Zealand ligt zo’n beetje het verst van ‘hometown’ Purmerend als maar mogelijk is op deze aarde. Het gevolg van het feit dat ik nu op het andere eind van de wereldbol vertoef is onder andere dat het hier winter is. Het is hier tien uur later dan in Holland.

Altijd weer roept zo’n ver vreemd land de nodige spanning bij mij op. ‘Waar zal ik als eerste bestemming onder de wol kruipen en zal alles wel goed gaan’ zijn van die dingen die me meer als normaal bezighouden. Nieuw Zeeland, door ‘onze’ eigen Abel Tasman aan zijn naam gekomen, wordt door zijn oorspronkelijke bewoners, de Maori, het land van de grote witte wolk genoemd. Het land, waar ongeveer 4 miljoen mensen wonen, waarvan verreweg het grootste gedeelte van Europese afkomst, meet van Noord naar Zuid 1600 kilometer. Het bestaat uit twee hoofdeilanden; het Noordeiland en het Zuideiland. New Zealand koppelt een ongekend fraaie natuur aan een weldadige gastvrijheid. De ‘Kiwi’s’ (bijnaam van de New Zealanders) is niets te veel om het z’n bezoekers naar de zin te maken. Ik verheug me er op om te zwemmen met dolfijnen en walvissen en pinguïns te zien. ’s Werelds mooiste trackings (meerdaagse wandeltochten) liggen aan m’n voeten. Vulkanen, gletsjers, kokende modderpoelen, dampende geisers en adembenemende fjorden liggen in het verschiet.

Maar vandaag geniet ik van de terugkeer van mijn backpack. Het is hier toch al een feestdag (Queens day). Net als alle andere backpackers kook ik zelf m’n potje in de keuken van het questhouse. Morgen ga ik Auckland ontdekken en dan beslissen of ik een auto huur of er eentje koop. Dat laatste lijkt het gunstigste. Echter daar ik van een auto niet meer verstand heb dan dat je er in kunt zitten, wordt het wikken en wegen.

 Met vr. Groet,

 Jouke

 

 

Reisverhalen zomer 2005.                                   Derde verhaal.

 

Nieuw Zeeland; één groot sprookjes wonderland.

AUCKLAND – Ik ben nu 10 dagen in Nieuw Zeeland en heb de metropoolstad Auckland en het ‘northland’ (de noordpunt van het Noorder eiland) verkend. Welk een nietig gevoel komt steevast over mij als ik al die onvoorstelbare pracht der natuur aanschouw. Na elke bocht is er weer iets dat mij de adem doet stokken. In Auckland, niet de hoofdstad van Nieuw Zeeland maar wel verreweg de grootste stad met ruim 1,5 miljoen inwoners, ben ik vijf dagen geweest. Ik heb me daar uitstekend vermaakt. Alleen het zelf koken was niet altijd even gemakkelijk. Al een paar keer had ik in de keuken van het backpackersonderkomen meegekeken over de schouder van een Engelse jongen die, zo op het eerste gezicht, de lekkerste gerechten zo uit zijn mouw leek te schudden. Als ik vol zelfvertrouwen witte bonen in tomatensaus opwarm let ik even niet op de tijd wat een brandlucht tot gevolg heeft. Iedereen kijkt meelijwekkend mijn richting op. Maar, met een big smile tracht ik me –terwijl ik natuurlijk de enige ben die werkelijk ‘kookt’- te redden met: “This is normal in my country!”

Vrijdag 10 juni verlaat ik Auckland. Het zweet staat op mijn voorhoofd als ik met ‘mijn’ Toyota Corolla SE Saloon (waar alles elektrisch aan is behalve de stoel…), die ik voor 45 dagen heb gehuurd, National State Highway 1 opdraai. Het drukke verkeer van Auckland ligt gelukkig achter me. De wagen is uitgevoerd met –voor mij volledig onbekend- automaat en dan ook nog link(s) rijden; pfff. Maar, nu toef ik rustig richting het noorden en heb ik een cassettebandje op staan met de bekende klanken van Boudewijn de Groot’s ‘Land van Maas en Waal’. Ik weet niet waar ik die dag uitkom. Als m’n ogen tot op het (gestoffeerde) dashboard dreigen te zakken besluit ik een Hostel op te zoeken. Het wordt (puur bij toeval) Kerikeri. Geen verkeerde keus besef ik al snel. Samen met een Japanner deel ik een kamer voor 18 dollar de man. Op Zaterdag 11 juni ga ik richting de Bay of Islands. Allereerst bezoek ik Waitangi. Hier is op 6 februari 1840 het verdrag opgesteld tussen de oorspronkelijke bewoners van Nieuw Zeeland, de Maori’s, en de Engelsen. Het verdrag is opgemaakt in het Engels en in de taal van de Maori’s en is (niet ongebruikelijk in de politiek) voor velerlei uitleg vatbaar. Gevolg daarvan is dat kort na het doorgeven van de ‘vredespijp voor de Maori’s het recht op hun natuurlijke rijkdommen in rook op gaat. Daarna neem ik het veerpontje naar Russell. De oudste plaats in Nieuw Zeeland. Russell diende tot 1900 als walvisstation. Door een bonte verzameling van ruige zeeschuimers werd het plaatsje in die tijd aangeduid als ‘Hell-hole of the Pacific’. Zondag maak ik een boottrip vanuit Pahia. Een drie uur durende trip met een boot die als veelbelovende naam ‘Dolphin Seeker’ heeft. En jawel hoor, zo’n dertig dolfijnen nemen we waar. Geweldig om te zien. Maandag 13 juni breng ik ‘mijn’ Toyota op toeren voor een verplaatsing naar Pukenei, vanwaar ik een dag later naar Cape Reinga ga om het fameuze ‘ninety miles beach’ te bezoeken. Tijdens de rit naar Pukenei zie ik overal koeien en schapen op de flanken van de berghellingen zich volvreten. Niet beseffend dat ze zich daarmee een vooraanstaande plaats in de etalage van de keurslager afdwingen. Veel kruizen met bloemen ook langs de weg als markering waarop noodlottige wijze frictie is ontstaan tussen gas- en rempedaal. Want net als overall vloeien ook hier de tranen als iemand aan het leven is onttrokken. De Japanner, Tamu genaamd, waarmee ik ook in Kerikeri de kamer deelde, tref ik ook in Pukenei. Daar het nog vroeg in de middag is gaan we samen op weg naar ‘Ninety Miles Beach’. Het langste (bijna 100 kilometer) strand van het land waar auto’s en touringcars bij laag water overheen scheuren. Zeer riskant allemaal, want wie hier ‘panne’ krijgt of de getijen niet kent bezorgt z’n ‘heilige koe’ een zeemansgraf. Voor huurauto’s –en daar heb ik er een van- is het contractueel verboden. Daar hoor je je natuurlijk aan te houden. Maar, eh, mooi was het wel…! Daar de Japanner een auto bezit uit de categorie ‘hoestbui op vier wielen’ nodig ik hem uit om met ‘mijn’ auto de volgende dag naar Cape Reinga (het uiterst noordelijke puntje van het land) te gaan. Het knipoogt (kleine moeite voor hem) dat hij daarmee akkoord gaat. Dinsdagochtend staan we vroeg op en na twee uur zijn we in Cape Reinga. De laatste 21 kilometer gaan over een ongeasfalteerde weg, maar dat is in Nieuw Zeeland niet ongewoon. Er zijn maar een paar hoofdwegen, de rest is gravel. Nooit is de weg recht. Altijd is het draaien en keren en op en neer. Op Cape Reinga ontmoeten de Grote Oceaan en de Tasmanzee elkaar en dat leidt tot veel moois. Op de terugweg verlaten we bij Te Paki de ‘snelweg’ (gravel) en gaan op zoek naar de immens hoge zandduinen (meer dan 100 meter hoog). Griezelig stijl, maar op verzoek van m’n reisgenoot beklimmen we die. Een hachelijke onderneming overigens. Woensdag 15 juni ga ik via de westkust terug voor een dagje naar Auckland. Ik vertrek vroeg, want de rit zal over zo’n 450 kilometer gaan. Mede ook omdat ik voor een toeristische route kies. Bij Kohukohu neem ik de veerboot naar Rawene. Het is akelig mistig als ik de veerboot op rij. Maar, ik had het kunnen weten volgens de veerman, want Kohukohu betekent in het Maori domweg ‘mist’! Echter in het schilderachtige Opokoni laat de zon zich weer uitgebreid zien. Ik stop even bij het graf van de dolfijn ‘Opo’, die in 1955 spontaan de kinderen van het dorp vermaakte. Niets ontziende dynamietvissers zorgden er voor dat ‘Opo’ het loodje legde. Na Opokine stop ik nog bij het Waipoua Forest Park, waar ik de grootste Kauri boom van Nieuw Zeeland bezoek. De boom die 51 meter hoog is en een omvang van 14 meter heeft, wordt door de Maori’s vereerd als ‘de God van het bos’. Net voor de spits ben ik in Auckland in het Youth Hostel aldaar. Vandaar ga ik Donderdag naar de Coronnel Penisulia om de uiterste oostkant van Nieuw Zeeland te bezoeken.

Groeten,

Jouke Kooiker

 

Reisverhalen zomer 2005.                                   Vierde verhaal

 

Vervolg reis door Nieuw Zeeland

 

WELLINGTON – Het Noorder Eiland heb ik nu bijna achter mij gelaten. Totaal nu zo'n 4.500 kilometer gereden. Op twaalf locaties heb ik geslapen. Ik zit nu in Wellington, de hoofdstad van Nieuw Zeeland. Morgen ga ik naar een rugbywedstrijd van de Lions (een team bestaande uit de beste spelers van Schotland, Engeland, Wales en Ierland) dat speelt tegen een selectie uit Palmerstone North. Woensdag neem ik de ferry naar het Zuider Eiland. Gemiddeld heb ik zo'n twee dagen op een locatie doorgebracht. Altijd weer bekruipt mij het gevoel dat het veel te kort is geweest. Maar…de tijd kent geen pauze.

Na op woensdag 15 juni nog een dagje Auckland te hebben gedaan als afsluiting van mijn bezoek aan het noorden, vervolg ik mijn reis en ga naar de Coromandel. Via een korte rit over state highway 2 beland ik in Coromandel Town, alwaar ik onderdak vind in het plaatselijke Youth hostel. De uitbaters zijn van het vriendelijke soort en nodigen mij en de twee andere gasten uit voor het avondmaal. Nieuw Zeeland is het eiland van de schapen en dra verschijnt een schapenbout ter tafel waar een bijzettafeltje voor moet worden aangeschoven. Maikel en zijn vrouw Wendy trakteren ons op een godenmaal. Gepofte aardappels en (ik heb ze lang niet gezien) een keur aan verse groenten. Uitgebreid nemen we het leven bij de kop. De volgende dag nodig ik de beide andere backpackers uit om mee te gaan naar het uiterste puntje van de Coromandel. De Engelsman (Andy) en de Japanse (Tomo), stemmen daar maar al te graag in toe. De weg is vreselijk. Net aangebracht gravel met een mengeling van pure keien en dat dertig kilometer lang. 't Is niet anders dan een ezelspaadje, geflankeerd door ravijnen. Kies je voor gas- i.p.v. rempedaal stort je 300 meter naar beneden. Halverwege de 'hel van het Noorden' vraag ik Andy of die het stuur wil overnemen. Die doet dat maar al te graag. De Japanse, toch gewend om in haar land links te rijden, hoeven we niet te vragen. De handen gekruist en de ogen gesloten bidt zij tot God mag weten wie om een behouden aankomst. Na twee uur rijden zijn we bij Fletcher Bay waar de weg –en ogenschijnlijk ook de wereld- ophoudt. Daarna gaan we een kleine drie uur wandelen door ongelooflijk mooie natuur.

Zaterdag 18 juni is een dag van regen. Allereerst zet ik met de Engelsman koers naar het zogeheten Hotwater Beach. Daar schijn je een kuil op het strand te kunnen graven en dan in heet water te kunnen poedelen. Maar, we hebben het weer en het tij tegen en het wordt niets. Andy zet ik daarna af bij Tauranga en ik ga door naar Opotiki om vandaar de Eastcape te ronden. In Opotiki verblijf ik in een toercaravan. Niet tegen mijn zin overigens, want ik beschik over een volledige keuken en een tweepersoonsbed. Voor alle backpackers is er een toercaravan. Wel 10 op een rij. Een mooi gezicht. Zondag begint uiterst fraai als ik aanzet voor de rit over de Pacific Coast. Zelfs de kraaien (hier uitgerust met fraaie witte veren en rug) doen vriendelijk aan. Telefoondraden vol met bont gekleurde ijsvogels ontwaar ik op mijn tocht en ook vliegt er altijd een zwerm vinken en putters met me mee als ik ben aangeland in 'The Middle of Nowhere'. Ik ga van start met de tank half vol en ga er van uit dat ik overal (op State Highway 35!) kan tanken. Maar, dat is een grof misverstand. Ik krijg het Spaans benauwd als het wijzertje na zo'n 160 kilometer akelig dicht bij het woordje 'empty' is aangeland. Zelfs het lampje (altijd in dat nare rode kleurtje…) gaat nu branden. Ik schat al in bij welke boerderij ik aan ga bellen als het 'monster' me in de steek laat. Maar, dan ontwaar ik uit mijn ooghoeken een plaatselijke buurtsuper met waarachtig een enkele pomp voor de etalage De literprijs is er ver boven het gemiddelde, maar ik brul meteen 'full'. Daarna bezoek ik de vuurtoren (meer dan 600 treden opwaarts) die het uiterste oostpuntje van het land vormt. Tegen vijf uur ben ik in Gisborne. Om zes uur zit ik in de keuken te eten met vier Chinezen en twee Japanners. Ik aan de pasta en de anderen nuttigen iets wat enige vaardigheid in slurpen vereist. De Chinezen komen schijnbaar van het platteland want zij boeren er ongegeneerd op los. 't Heeft schijnbaar gesmaakt.

De dag er op reis ik samen met een Ierse jongen naar Roturoa, de stad waar het in alle hoeken en gaten stinkt naar bedorven eieren. Daar ik als tegenprestatie van de Ier 'eis' dat hij rijdt, laat ik het fraaie landschap aan mij voorbijgaan.

Dinsdag 21 juni (de kortste dag hier in Nieuw Zeeland!) neem ik afscheid van de Ier en pik ik andermaal Andy op met wie ik eerder gereisd heb. Ons doel is National Park om daar de mooiste eendagstrekking (17 kilometer lang) van Nieuw Zeeland -en volgens mij van de hele wereld-, de 'Tongariro Crossing' te gaan doen. Op de weg naar National Park bezoeken we nog 'Hidden Valley' waar we getrakteerd worden op kokende modderpoelen, spuitende geisers en al dies meer wat thermisch voor handen is. In National Park gaan we onder de wol en hopen op mooi meer om de beroemde trekking te kunnen doen. Maar, als we om uur 'U' de ogen openen, klettert de regen ongenadig hard op de plastic golfplaten die de bovenkant van ons nachtverblijf vormen. Vanuit de slaapzak voeren we (ook een Italiaanse kamergenoot wil mee) overleg. We (be)sluiten de luiken nog voor minimaal een uur. Om 10.00 uur wordt het droog en doen we een fraaie trekking van twee uur. Voor de Cross over de Tangariro is het dan al te laat. Andy en de Italiaan nemen 's middags de bus naar weer een andere bestemming. Ik blijf nog een dag en neem de gok dat de Crossing de dag er op doorgaat. En dat gebeurd!

Iedereen is nerveus als de hostelhouder de weerberichten heeft afgeluisterd en stelt dat we kunnen gaan. Ik leen regenkleding, sneeuwijzers en bergschoenen. De laatste zijn maat 'kano', en daar heb ik nu nog weet van. Een bus brengt ons naar het vertrekpunt. De chauffeur, een routinier in zijn discipline, drukt ons op het hart bij elkaar te blijven. Bij handoplegging geven wij daar gehoor aan. Even voor 8 uur starten we. De tocht is ongekend zwaar. Ondermeer door hevige sneeuwval van een paar dagen daarvoor. Al snel moeten we de sneeuwijzers onder wat het extra zwaar maakt. Ik maak de tocht samen met drie Ieren (geboren klimgeiten) een Zwitser en een dame uit Hong Kong. Al snel nemen de Ieren de bagage uit mijn kleine backpack over. De beloning voor ons zwoegen is geweldig. We passeren de Red Crater, de Emeralds Lakes en nog veel meer fraais. Op de top is de wind ijzig. Even staan we daar stil voor een fotosessie en nemen wat proviand in. Op het hoogste punt overdenk ik dat fysiek de beste jaren achter me liggen. Maar, spijt om met het jonge volk mee omhoog te gaan heb ik allerminst. Spijt, zo is mijn stelregel, heb ik alleen van de dingen in het leven die ik niet heb gedaan. Ook de afdaling is geen makkie. Regelmatig zakken we door het laagje ijs dat de sneeuw bedekt. Maar, als er weer eens een plukje wolken door de bergketens is gejaagd en de zon zich laat zien, maakt dat weer veel goed. De laatste kilometers loop ik zoals een robot. Pas om half vijf zijn we weer bij de bus. 's Avonds jagen we de kou uit onze botten met het nodige bier. Samen zulke uitdagingen doen geeft een enorme band.

De dag er op vertrek ik naar Waitomo, zo'n drie rijden van National Park. Ook de dame uit Hong Kong, Mandy, gaat mee alsmede een Japanse. Mandy is werkelijk een echte dame en geeft zelfs haar leeftijd niet bloot. Aangekomen in Waitomo besluiten we om mee te doen met een zogeheten Black Water Rafting. Dat is een rafting door het water van een onderaardse grot gezeten in een binnenband (tube). Een ijskoud gebeuren, maar reuze leuk. Iedereen in wetsuit en uitgerust met helm met daarop een lichtje. De grotten van Waitomo zijn bekend door hun gloeiwormen. Als de gids ons maant de lichten te doven, drijven we een uur lang door het pikkedonker met slechts een lichtpuntje; de gloeiwormen. Ook deze bijzondere belevenis vieren we 's avonds weer in de pub.

Zaterdag 25 juni rijden we andermaal naar Rotorua. Mandy verblijft daar in een gastgezin om haar Engels te verbeteren. De Japanse en ik bezoeken een show van de Maori die als hoogtepunt de krijgsdans, de Haka, heeft. Mandy heeft het voor elkaar gekregen dat we 's avonds in het gastgezin kunnen eten.

Zondag rijd ik van Rotorua naar Napier. In Taupo neem ik afscheid van de Japanse Oet, die terug moet naar National Park alwaar ze een baantje heeft. Onder een cappuccino (met chocolade on the top) deel ik de Japanse mee dat ik het erg leuk heb gevonden en dat onze wegen jammer genoeg weer gaan scheiden. Het wordt haar even te veel en snikkend meldt ze dat ze de gezelligheid zo zal missen.

In Napier is mijn plan de Jan van Gentenkolonie te bezoeken die in Cape Kidnappers (30 kilometer buiten Napier) huist. Maar, als ik navraag doe hoe het er mee gesteld is hoor ik dat de vogel gevlogen is. Pas in het najaar komen de 20.000 stuks weer terug. Toch vermaak ik mij prima in Napier. Na door een aardbeving in 1931 verwoest te zijn is de stad in Art Deco-stijl herbouwd. Elk pand in de binnenstad is een museum op zich. Zeer fraai. Ook bezoek ik het aquarium waar ik voor het eerst een Kiwi, het symbool van Nieuw Zeeland, zie. Wat een lelijk ding denk ik (het hardop zeggen durf ik voor geen prijs) bij mezelf. Woensdag dus de oversteek van drie uur naar Picton. Donderdag een boottrip op zoek naar Walvissen. Zaterdag neem ik de TranzAlpine van Christchurch naar Greymouth. Een schitterende rit door de Alpen. U hoort (hopelijk) nog van mij.

 

Groeten,

 

Jouke  

 



                     

 

               

Reisverhalen zomer 2005.                                   Vijfde verhaal.

 

 

                             Vervolg reis door Nieuw Zeeland

INVERGARGILL – M’n (voorlopig) laatste dag (28 juni jl.) op het Noorder
Eiland was een memorabele. De dag begon in groot mineur. Tussen mijn
ruitenwisser wapperde een verdacht papiertje. En ja wel hoor; de
plaatselijke koddebeier smeert me een boete aan omdat ik verkeerd geparkeerd sta. Veertig dollar, waar ik twee keer van kan overnachten in een Youth Hostel, kost me deze doodzonde. Die betaal ik meteen op het postkantoor. Want, anders gaat de bekeuring naar het autoverhuurbedrijf en die wachten mij aan het eind van de rit dan natuurlijk op met een big smile. Van die ‘reclame’ moet ik het niet hebben. Rond Wellington liggen diverse fraaie baaien en ik besluit tot een rondrit voor ik ‘s middags op het rugby af ga. In mijn reisbescheiden zie ik dat bij Owhiro Bay een kolonie pelsrobben huist. Als je geen vierwiel aangedreven voertuig hebt, is het een wandeling van vier kilometer. Ik begin er wel aan, maar als de eerste de beste Jeep m’n richting op komt, steek ik mijn duim op. Het signaal wordt begrepen en even later zit ik naast ene Andrew die een vrije dag heeft genomen en aan het toeren is. Als ik meld dat ik uit Holland kom, gaat Andrew los over zijn eerste grote liefde die uit Rotterdam kwam. Het moet een bloedmooie meid zijn geweest als ik zo zijn uitgebreide profielschets goed vertaal, maar Andrew heeft de vogel over ‘het touwtje’ laten wippen. Ik stel hem voor dat hij het programma ‘Memories’ moet bellen om uit te vissen wie haar aan de haak heeft geslagen. Na een kwartier bonken en hossen komen we bij de kolonie pelsrobben aan. Meer dan 100 schat ik vluchtig. Ongekend. Je kunt er zo tussendoor lopen. Geweldig. Daarna verkas ik ongeveer 150 kilometer verder naar Palmerston Noord voor de rugbywedstrijd tussen de Lions en een
plaatselijk team. De Lions bestaan uit de beste spelers van Engeland,
Schotland, Wales en Ierland. Eens in de vier jaar maken zij een toer door
Nieuw Zeeland en –het is echt waar- ze worden daarbij gevolgd door ongeveer 35.000 (waaronder Prins William van Engeland) supporters! Die zijn aanwezig bij alle wedstrijden en pakken daarnaast de toeristische hoogstandjes mee. De wedstrijd in Palmerston heeft eigenlijk niets om het lijf. Een –met alle respect- niet anders dan een team van wat straatjongens, neemt het tegen de beroemde Lions op. De uitslag is dan ook 109 – 6, maar wat een ongelooflijke sfeer. Het stadion volledig uitverkocht (ik schat zo’n 50.000 plaatsen), de wave, polonaise, een Schotse doedelzakband, trommelaars, een helikopter die de bal (heet dat zo?) komt brengen en wel veertig jonge jongens die de Haka dansen en zingen. Een kwartier voor het eind glipt er een straeker langs de stewards en iedereen gaat uit zijn dak.
Dan ga ik op Woensdag 29 juni met de ferry naar het Zuider Eiland. Op de
boot overdenk ik dat ik nog geen enkele keer in de file heb gestaan. Waarschijnlijk kent men het woord hier geeneens. Als de boot (150 meter
lang) het laatste uur van de in totaal ruim drie uur vaartijd inzet door
Straat Cook, wordt de natuur ongekend mooi. We varen door Queen Charlotte Sound, een gebied met fjorden en al dies meer. Daar ik de middagboot heb, slaap ik in Picton alwaar de boot afmeert. Dan trek ik op voor de rit naar Kaikoura. Een must voor elke toerist want voor de kust van Kaikoura komen Walvissen voor. ‘s Middags beland ik daar maar de boten varen niet omdat er teveel wind staat. Dan maar een helikopter; zo besluit ik. Twee walvissen krijgen we te zien, maar wel van grote afstand. Het zijn tandwalvissen en allen 'jonge jongens', zo wordt ons verteld. Maar, de ‘opgeschoten’ jeugd doet de meetlat even zo goed tot over de 20 meter reiken. Kaikoura is geweldig. Even voorbij het Hostel is andermaal een
pelsrobbenkolonie. Zo maar langs de kant van de weg kun je die vinden.
Ongekend. De dag er op is de wind gaan liggen en maak ik met een boot
andermaal een tocht naar walvissen. Dit keer krijgen we er vijf te zien en
van zeer dichtbij. Ook passeren we regelmatig scholen dolfijnen. Een topdag. Daarna vertrek ik naar Christchurch. De grootste stad (305.000 inwoners) van het Zuider Eiland. Zaterdag 2 juli kan andermaal met rood worden omringd, want qua natuur is het weer een topper. Om 8.15 vertrek ik met de voor één van de mooiste treinreizen ter wereld. De rit gaat van Christchurch naar Greymouth aan de westkust en wringt zich door 16 tunnels. Dwars door de Nieuw Zeelandse alpen voert de rit en aan ons oog trekken besneeuwde alpenreuzen voorbij alsmede ravijnen en wild kolkende rivieren. Ik, en ik merk dat velen dat doen, maak de trein ook in omgekeerde richting. Totaal komt dat neer op 9 uur treinen. Maar, van elke minuut heb ik genoten. Zondag doe ik het rustig aan en bezoek Akaroa. Een idyllisch havenplaatsje op zo’n 85 kilometer van Christchurch. Het is een bergachtige weg en er wordt schijnbaar veel te hard gereden. In Nieuw Zeeland staan dan ook diverse borden langs de weg die snelheidsmaniakken op andere gedachten moeten brengen. Vlak voor Akaroa lees ik: ‘You are a long time death. So, what’s the Hurry?’ Buiten de bebouwde kom mag er 100 worden gereden. Word je gesnapt met 120 op de teller, verdwijnt er 170 dollar van je banktegoed. Van Christchurch ga ik naar het 365 kilometer verder zuidwaarts gelegen Dunedin. Een plaats zo Schots als maar kan. De naam alleen al is een samentrekking van Dundee en Edinburgh. Er wonen 120.000 mensen van wie er 25.000 studenten zijn. Dunedin is een plaatje op zich. Het treinstation geld als het mooiste gebouw van Nieuw Zeeland. Maar ook een aantal kerken uit de tijd dat de eerste pioniers vanuit Schotland er kwamen boeren (zo rond 1840) zijn schitterend. Qua natuur is Dunedin ook een topper omdat het schiereiland Otago Peninsula aanleunt tegen Dunedin en daar wemelt het van wildlife. Ik boek een middagtoertje en we bezoeken allereerst de Konings Albatrossen, die een spanwijdte van 3 meter hebben. Op Kaap Taiaroa aan de monding van Otago Harbour leeft de enige kolonie die op het vasteland
voorkomt. We hebben mazzel dat er wind (slechts bij een windsnelheid van 25 knopen en meer kunnen ze de lucht in) staat en zien de 'Boeings 747'
rakelings langs ons hoofd scheren. Een magnifiek gezicht. Dan gaan we voor de geeloogpinquins. Van de in totaal 16 voorkomende soorten behoren die pinguïns tot de zeldzaamsten. Er zijn er welgeteld nog maar zo'n 3.000 van. Na ongeveer een uur wachten in een schuilhut duiken ze op. Het is altijd weer prachtig om te zien hoe ze met het overbekende Charlie Chaplinachtige loopje hun weg zoeken. Zeker 20 pinguïns trekken van dichtbij aan ons voorbij. Vervolgens bezoeken we een strand met daarop zeker zo'n 15 zeeleeuwen. We besluiten met een zeehondenkolonie. Ook wel zo'n dikke honderd schat ik. Een geweldige dag. In Dunedin is ook het steilste straatje ter wereld. Het is Baldwin street. En natuurlijk beklim ik die. Het straatje is -zo schat ik- amper driehonderd meter lang, maar als je bij de beklimming achterom kijkt breekt het zweet je uit. Ook met de auto ga ik nog even op en af. Zeldzame belevenis.
Donderdag 7 juli breng ik de motor op toeren voor een rit door de Catlins.
Een allermachtigs mooi natuurgebied. Om 9 uur starten we (een Amerikaanse jongen uit Michigan gaat voor vijf dagen met me mee). Alle mooie uitkijkpunten pakken we mee en ook nog een tweetal waterfalls leggen we op de gevoelige plaat vast. Het is al donker als we in Invercargill belanden. Bijna totaal in het zuiden van het Zuider Eiland. Morgen gaan we richting westkust. Eerst naar Te Anau, daarna naar de avonturenhoofdstad van Nieuw Zeeland; Queenstown en tussendoor hopen we nog bootje te varen op, langs en door Milford Sound. Druk zo'n vakantie...!

Groeten,

Jouke

 


Reisverhalen zomer 2005.                                   Zesde verhaal.

 

 

                                 Vervolg reis door Nieuw Zeeland

AUCKLAND – De reis door Nieuw-Zeeland zit er grotendeels op. Vandaag nog even uitblazen in Auckland, waar ik gister weer ben aangekomen, en dan voor een week naar Sydney. De auto is reeds ingeleverd en ik heb er welgeteld 10.211 kilometers op zitten, waarvan 4.927 op het Zuid-Eiland. Op welgeteld 28 locaties heb ik m’n medekamergenoten welterusten gewenst. Het is moeilijk om een absoluut hoogtepunt er uit te pikken (zelfs begraafplaatsen hebben hier een mooie ligging), want de reis was he-le-maal te gek. Dagelijks heb ik het reisverslag in mijn dagboek ’afgevinkt’ met: ’Wat weer een geweldige dag’! Maar, wat er wel ontegenzeggelijk als Hoog(s)tepunt uitspringt is hetgeen ik gisterochtend vroeg in Taupo (grenzend aan het magnifiek mooie Lake Taupo) heb gedaan: SKYDIVEN!! De avond er voor hoorde ik in het Youthhostel in Taupo, waar ik overnachtte, de meest fraaie verhalen aangaande skydiven. En, al was het aanvankelijk niet m’n bedoeling, dinsdagochtend toch maar even nagevraagd of er nog plek was. Dat was er, als ik voor 9 uur op de airport zou zijn. Snel langs de pinautomaat en toen er op af. Zelfs geen tijd om nerveus te zijn. Een korte uitleg en met zeven personen (de piloot, drie instructeurs en drie ’slachtoffers’) naar 12.000 Feet. Onder het motorgeronk door nog wat instructies en dan zwaait de deur open... Wat een ongekende, aparte ervaring. Geen tijd om na te denken wat er kan gebeuren als het mis gaat en wie je over een kleine week noodzakelijkerwijs op koffie met cake zou ’moeten’ trakteren... Na ongeveer 45 seconden (al lijkt het een eeuw) gaat de parachute open. Dan een prachtige rustige glijvlucht over het meer naar moeder aarde. Onderweg rustig ouwehoeren met de instructeur. Nog even de landing doornemen: ’benen omhoog en op je achterste in glijvlucht over het gras’ en dan zit het er op. In mijn geval een kwartiertje in de lucht en een paar uur naar adem happen vanwege behoorlijke misselijkheid. Maar, een onvergetelijke ervaring!

Elke dag is hier een hoogtepunt en alles is hier ’cool’ op het weer na. Gister met een Deense dame, een Duitse jongen en een Zwitser een paar uur de klimwand in het Youthostel van het National Park uitgeprobeerd. Acht meter stijl omhoog om de bel (het bewijs dat je de top hebt gehaald) te laten rinkelen. Waar we de Zwitser zo’n beetje van achter de wolken vandaan moesten plukken, lukte het mij tweemaal om de top te bereiken.

Maar voor ik National Park bezocht en Lake Taupo, heb ik ook in andere oorden nog heel wat meegemaakt Te beginnen in Invercargill. Het regent hard als we (de Amerikaan Shaun en ik) vanuit Invercargill vertrekken naar, allereerst de plaats Bluff. Bluff is de meest zuidelijke stad van Nieuw Zeeland. Als we daar arriveren bedenk ik dat ik nu zo’n 20.000 van huis ben. Iets wat gemengde gevoelens bij mij doet opborrelen. M’n Amerikaans maatje Shaun is al vijftien maanden van huis en is al meer dan een jaar in Nieuw Zeeland. Hij vindt het er nog altijd ’cool’, zowel in zomer als winter. Na Bluff vertrekken we naar Te Anau. De lucht klaart en dat geld ook voor onze stemming. Mooi op tijd arriveren we in Ta Anau. Het is altijd zaak om vroeg in te checken. In Invercargill lukte dat niet met als gevolg slapen in een bovenbed. Geen pretje als je er ’s nachts nog uit moet en als een aap in pikkedonker het trapje af moet.

Zaterdag 9 juli gaan we vroeg op pad voor de 121 kilometer die ons naar Milford Sound moet brengen. Gelukkig lees ik in een foldertje nog dat er onderweg geen enkel tankstation is. Dus, ruim 240 kilometer (heen en terug) en geen enkel benzinestation...! Zowel de weg naar Milford Sound als de boottocht door het 16 kilometer lange Fjord, die uitmond in de Tasmanzee,  zijn van een ongekende schoonheid. We zijn met drie omdat we in het Youth Hostel een Duitse student hebben opgepikt die ook naar Milford Sound wil. De route, de ’Milford Road’ genaamd en die tot werelderfgoedweg is benoemd, is zo mooi, dat ik van de Duitser alleen maar ‘Wonderbar’ hoor en van de Amerikaan ‘Waauw’. Zelf geniet ik in stilte. Ik heb de pech dat ik moet rijden en dat vereist hier opperste concentratie omdat de weg stijl, bochtig en slipperig is. Vlak voor Milford Sound duikt de 1.200 meter lange Homertunnel op. Van afstand ziet de ingang er uit als een muizenholletje. In de tunnel is het donker en akelig smal. Daarbij komt nogeens dat hij bijna stijl naar beneden gaat. Maar, het wordt een geweldige dag. De boottocht van ruim twee uur is een plaatje op zich. Schitterende watervallen met al even fraaie namen sla ’Bowen Falls’ en ’Stiling Falls’ laten het smeltwater van een kleine 200 meter naar beneden kletteren. En (alsof de toeroperators ze aan een touwtje hebben…) zien we weer zo’n 20 dolfijnen. Het regent in Milford Sound zo’n 240 dagen per jaar en dientengevolge drijft er een laag van meer dan 4 meter zoet water op het zoute water van de Sound. Maar, wij kunnen in alle opzichten het zonnetje in het water zien schijnen.

Het heeft flink gevroren als ik zondag het ’stalen ros’ benader. Flink krabben is het gevolg. Maar, ijs en weder dienende, is de trip van Te Anau naar Queenstown, dé avonturenhoofdstad van Nieuw Zeeland, weer een hele mooie. In Kingston bied ik de rakkers een ’Long Black’ aan. Koffie, zwart en sterk. Mooie verhalen komen er los als we het goedje vergezeld van een ’cookie’ naar binnen werken. De Amerikaan heeft een Japans vriendinnetje en verteld daar liefdevol over. Ik weet over vrouwen ook nog het een en ander te melden wat ons noodzaakt tot een hernieuwde bestelling.

Rond het middaguur zijn we in Queenstown. Het is weer een rit uit de categorie dat als je 1 auto in het half uur tegenkomt, men hier spreekt van ‘drukte’. Queenstown is de stad waar je alles kunt doen wat de adrenaline door je lichaam doet gieren. Bungee Jumpen is er uitgevonden. Van meer dan 100 meter kun je je hier naar beneden laten storten. Daar ik niet (meer) van elastiek ben, pas ik voor die grapjasserij. Maar, je kunt in Queenstown ook met een Jet boot, skydiven, parasailing en paraglyding, etc. Kortom als het in Queenstown niet voor handen is, kun je het nergens ter wereld. De volgende dag gaan we op zoek naar het ’Paradijs’. Ik heb op een kaart gezien dat vlak bij Queenstown een gehucht is dat ’Paradise’ heet. En wie zou daar nou niet heen willen?! Even na de plaats Glenorchy moeten we de bush in om na 12 kilometer (althans volgens het bordje) het paradijs te bereiken. Het is ’a hel of a job’ om er te komen, zo wordt ons al snel duidelijk. De vreselijk slechte weg gaat dwars door diverse stroompjes en kleine riviertjes. Bij toerbeurt gaan ’de bemanningsleden’ er uit om de diepte te peilen van de creek die we door moeten. Na zo’n 15 kilometer is het praktisch een rivier waar we doorheen moeten en dat ’trekt’ de auto niet, dus keren we om. Evenzogoed een geweldige rit. Gewoon zo nu en dan afwijken van de gebaande wegen, en een ’paradijselijke’ omgeving staat je te wachten. De bergen rond Queenstown en Wanaka, waar ik later in de week nog kom, hebben als decor gefungeerd voor de films van ’Lord of the Rings’. Uitgebreid toertjes die wel 50 locaties aandoen zijn er mogelijk. Het is natuurlijk geen toeval dat er in Queenstown praktisch meer pinautomaten zijn dan inwoners.

Dinsdag 12 juli gaan we naar Mount Cook. De hoogste berg van het land met z’n 3.764 meter. Het nationale park Mount Cook is het grootste van het land en is 700 km2 groot. Niet minder dan negentien pieken zijn hoger dan 3.000 meter. De weg er naar toe is geweldig. Uren (totaal is de afstand 270 km) rijden we langs het prachtig groen gekleurde Lake Pukaki. De groene kleur komt doordat het meer gevoed wordt met ijs dat langs de rotsen schraapt en een fijn poeder vormt. Gezamenlijk bezoeken we de Hooker- en de Tasmangletsjer. Laatstgenoemde is 29 km lang en 1,6 km breed. Mount Cook Village is heerlijk rustig. Er wonen welgeteld 150 mensen en er zitten 10 kinderen op het plaatselijke schooltje. Daar er in het Youthostel een sauna is, is dit wederom een dag van de ’buiten categorie’. Dan gaan we naar Lake Wanaka. Onderweg verlaten we de highway en bezoeken het spookstadje Bendigo, waar rond 1840 iedereen ’besmet’ was met de goudkoorts. De rit er naar toe is weer een avontuur op zich. Ook het spookstadje toont nog veel van z’n vroegere glorie.

In Wanaka blijf ik slechts een nacht omdat een bezoek aan de Frans Jozef Gletsjer op mijn programma staat. Dientengevolge neem ik in de vroege uren van donderdag 14 juli afscheid van Shaun, die 10 dagen met me is opgetrokken en de Duitse student. Ze nemen de moeite om vroeg op te staan om zodoende met mij in alle vroegte het ’laatste avondmaal’ te kunnen delen. Nog even geef ik ze een goed bedoelde klap tussen de schouders en dan is het ’;take care’. Langzaam verdwijnen ze uit m’n achteruitkijkspiegel. Zeer waarschijnlijk zie ik ze nooit meer terug. Maar, ook zonder mij en ’mijn’ huurauto zullen die twee hun weg wel vinden. De weg van Wanaka naar de Frans Josef Village is lang, maar weer heel mooi. Ik moet over de Haastpass, die nat, bochtig en slipperig is. Maar, eenmaal aan de westkust wordt ik geflankeerd door besneeuwde alpen en aan de andere zijde de woeste Tasmanzee. De dag er op sta ik geboekt voor een halve dagtoer door de Frans Josef (genoemd naar de Oostenrijkse Keizer). Het is schitterend weer als ik Beth, een dametje uit Wales die het gidsen als vakantiebaantje heeft, ontmoet. Ik ben de enige die die ochtend een halve dagtoer doet, dus veel persoonlijke aandacht. Dat het mooi weer is een uitzondering rond de gletsjer, want er valt per jaar 5.000 millimeter regen! Beth brengt me tot het begin van de gletsjer en daarna neemt Holly (een dame uit het land zelf) de ’verzorging’ van mij over. Meteen moeten de speciale sneeuwijzers onder en Holly hanteert de pikhouweel om een pad te effenen. De tocht is geweldig. Tussen muren van ijs, afgewisseld door spelonken en holen, klauteren we door de gletsjer. In het begin heb ik angst om niet weg te glijden. Want, als dat gebeurd is het onherroepelijk dat je wordt ’koud’ gezet. Onvoorstelbaar mooie natuurschoon is onze beloning. De gletsjer (13 km lang) is uniek omdat hij afdaalt van een gebied met eeuwige sneeuw naar regenwoud vlak bij de kust. Nieuw Zeeland, zo leert mij de gids, telt meer dan 3.000 gletsjers.

Op zaterdag 16 juli vertrek ik van Frans Josef Village naar Punaikiki voor een bezoek aan de zogeheten Pancake Rocks. Rocks die bestaan uit stroken kalksteen gescheiden door dunne repen zachter kleisteen. Duizenden jaren regen en wind hebben de gelaagde formaties van de Pancake Rocks gevormd. Een prachtig gezicht. Dan staat een bezoek aan Arthus’s Pass op mijn routekaart. Een dorpje van 50 inwoners gelegen op de top van Arthur’s Pass. Het is de hoogste pass in Nieuw Zeeland. Altijd weer probeer ik onderweg een ’Long Black’ (prima koffie) te scoren in een dorpscafeetje waar nog geen 100 mensen wonen. Meestal is dat een trefpunt van boeren en buitenlui. Woest uitziende gasten met hoge boots waar de veters er nonchalant bijhangen en waar door de woeste haardos wel de shampoo maar veelal niet de kam doorheen is gegaan. Op m’n weg naar Arthus’s Pass wordt het mij wel erg gemakkelijk gemaakt om zo’n locatie te vinden. Ik leg aan in ’Jackson’s Taveerne’. Een taveerne waar je elk moment verwacht dat de postkoets arriveert en de sheriff binnen stormt om versterking te komen vragen om losbandige veedieven tot de orde te roepen. Ooit rond 1870 was Jackson’s Taveerne het drukke eindpunt van een spoorlijn. Maar de aanleg van een spoortunnel heeft een zware wissel getrokken op de omzet en feitelijk is de Taveerne praktisch uitgerangeerd. Na de nostalgische stop begin ik aan de klim naar 924 meter, zijnde de spectaculairste weg over de Alpen. Het is zondag en zelfs waar borden aangeven dat 15 km de gewenste snelheid is word ik zo nu en dan voorbij gescheurd door lui die er schijnbaar op uit zijn om op een afwijkende manier een ’kruisje’ achter hun naam te krijgen... Ik pas(s) hiervoor en geniet van het adembenemende uitzicht. Ik blijf twee dagen in Arthur’s Pass en maak een paar hele mooie wandelingen. Ondermeer ga ik naar ’Devils Punchhowl Waterfall’ en kuier ik door de ’Bealy Valley’. Het is fantastisch hoe alle hoogtepunten staan aangegeven hier in Nieuw Zeeland. Overal is wel een informatiebron en verstrekt men volders en kaarten. Veelal kosteloos. De wandelingen hier zijn niet ongevaarlijk omdat het weer op hoogte snel kan omslaan. Eer ik op pad ga meld ik me daarom ook bij het kantoor van de toeristeninformatie en vul daar een ’Search and Rescue action Card’ in waarop ik vermeld waar ik naar toe ga. In